Nicky Romero

“Deejayen is echt topsport”

De dertigjarige Nick Rotteveel heeft als deejay en producer een imperium opgebouwd. Hij draait wereldwijd voor volle stadions en concertzalen, maakt tracks met de grootste artiesten, wordt aanbeden door fans… Toch waant hij zich geen superstar. Sterker: “Ik zou later heel graag een normaal bestaan leiden.”

Wat voor jeugd heb jij gehad?
“Ik ben geboren in Den Haag. Toen ik een jaar of drie was, hebben we een tijdje in Canada gewoond, in Kingston. Zo leerde ik vrij vroeg Engels praten. Terug in Nederland kwamen we in Amerongen te wonen, waar ik een groot deel van mijn jeugd heb doorgebracht. Het is een rustig dorp, waar het tot je twaalfde helemaal top is om te wonen. Maar daarna wordt het al snel saai, want er is niet veel te doen.”

Hoe zou je jouw opvoeding omschrijven?
“Mijn vader en moeder waren allebei politieagent, die stonden midden in de samenleving. Ik kan wel zeggen dat ik normen en waarden van ze heb meegekregen.”

Met ouders bij de politie kon je vast moeilijk kattenkwaad uithalen.
“Maar dat deed ik wel, hoor. Op mijn zestiende al reed ik op een parkeerterrein een rondje in de auto van mijn ouders. Zulke dingen verzweeg ik voor hen, die konden ze maar beter niet weten. Zo verhulde ik dat ik een opgevoerde brommer had door daar een sticker van een originele uitlaat op te plakken. Het is trouwens niet zo dat ik niets mocht, mijn ouders waren supervrij. Als ik maar eerlijk was. Eerlijkheid stond bij ons hoog in het vaandel. Mijn ouders vonden het niet leuk wanneer ik eens te laat kwam of stiekem toch ergens heen was gegaan. Maar als ik iets zei wat niet waar was, dan had ik pas echt een probleem.”

Wat was je eerste aanraking met muziek?
“Toen ik een jaar of zeven was, wilde ik leren drummen. Ik kreeg les bij muziekvereniging Ons Genoegen in Amerongen, die dit jaar honderd jaar bestaat. Van mijn lerares, Ada, kreeg ik een drumpad mee – letterlijk één trommel met stokken – om thuis op te oefenen. Het ging mij goed af en al snel kreeg ik lesmateriaal mee dat eigenlijk bestemd was voor kinderen die drie, vier jaar ouder waren. Ada informeerde mijn ouders dat ik een bijzonder talent voor muziek had. ‘Hij zou zo kunnen meelopen met de fanfare.’ En dus liep ik even later op Koninginnedag in uniform trommelend over straat. Van mijn ouders kreeg ik een drumstel, onder de voorwaarde dat ik mij daar volledig op zou storten.”

Waren de buren er blij mee?
“We moesten inderdaad wel wat muurtjes isoleren. Ik heb zelfs nog in een band gespeeld, Traffic Light. Ik vond het heel leuk om te oefenen met mensen die andere instrumenten speelden. We repeteerden in een kleine garage en traden voor de lol weleens op in De Uithof, een locatie in Amerongen. Toen ik een jaar of zeventien was, werd ik geïnspireerd door muziek die ik op de radio hoorde van onder anderen Tiësto en Armin van Buuren. Ik dacht: hoe máken ze dat? Er was nog geen YouTube, dus ik kon nergens zien hoe ze dat deden. Ik kocht mijn eerste Behringer MS-10 en leende wat speakertjes van het geluidsbedrijf waar ik stageliep in het kader van mijn mbo-opleiding Sound & Vision. Alleen kon mijn computer het niet aan. Ik verkocht mijn brommer, en met het geld dat ik daarvoor kreeg, kocht ik een Mac. Toen ging het pas echt beginnen en maakte ik mijn eerste muziek – dat was in 2008.”

Wat was je eerste podium?
“Dat was bar-dancing Scoob in Elst. Ik werkte daar in de garderobe en als glazenhaler, maar hoopte op een kans achter de draaitafel. Na een half jaar kwam die eindelijk: ik mocht op zaterdagavond een kwartiertje draaien. Het was de eigenaar goed bevallen: ik had mijn plek daar veroverd. En werd vervolgens ook gevraagd door andere locaties, waaronder Temptation in Veenendaal, De Karseboom in Bilthoven en Max Brothers in Arnhem.”

Hoe voelt het om een zaal in beweging te krijgen?
“Je ziet gelijk resultaat van wat je doet. Vinden de mensen het tof, dan bewegen ze. Zo niet, dan blijven ze stilstaan. Het werd een soort addiction om de vloer continu in beweging te houden.”

Deejayen alleen bracht jou niet genoeg voldoening…
“Ik wilde zelf muziek kunnen maken. Ik zocht online de software die ik daarvoor nodig had en probeerde thuis songs te maken. Toen kwam ik erachter hoe moeilijk dat is. Ieder weekend testte ik mijn eigen plaatjes in Scoob. In het begin klonken ze nog niet goed, klopte de timing niet. Maar gaandeweg werden ze beter. Totdat ik het aandurfde om mijn muziek naar verschillende labels te sturen. Once Records toonde interesse, maar ging failliet. Uiteindelijk toonde Azucar, van de bekende Nederlandse deejay Gregor Salto, vertrouwen in mij. Via dat label heb ik mijn eerste plaat uitgebracht, Funktion One. Ik was supertrots!”

Hoe verklaar je dat jouw muziek aansloeg bij een groot publiek?
“Mijn muziek werd uitgebracht in de tijd dat festivals als Sneakerz en Nope Is Dope heel erg goed liepen, en die vertegenwoordigden precies de sound die ik maakte: een geëvolueerde versie van house met veel vocalen en veel ritme. Ik zat met mijn muziek gewoon precies in de juiste tijdgeest.”
Waar begint het maken van een nummer mee? “Dat kan echt van alles zijn. Soms heb ik een melodietje in mijn hoofd, dat ga ik spelen op een piano, ik maak het akkoordenschema… Dan heb ik de basis. Een andere keer begint het met een sample. Ready 2 Rumble ontstond toen ik bij een UFC-gevecht in Amerika de aankondiging hoorde: ‘Ladies and gentlemen, let’s get ready to rumble.’ Die hele plaat is letterlijk om die sample heen gebouwd.”

“Omdat wij niet veel nodig hebben – alleen een USB-stick, een laptop en een koptelefoon – kunnen wij elke dag in een andere wereldstad geboekt worden. Maar je lichaam kan dat niet bijhouden. Een spiritueel leraar zei ooit: ‘De geest rijdt te paard.’ Je kunt je lichaam wel alle kanten opsturen met een vliegtuig, maar de geest gaat niet sneller dan een paard”

Hoe lang doe je over het maken van een nummer?
“Meestal een dag of drie. Dan neem ik hem mee naar een set en test ik hem. Dan hoor ik bijvoorbeeld dat de bass of de kick harder moet, er een instrument bij of juist af moet. Hier in mijn studio hoor ik het natuurlijk het best, maar het moet live goed voelen. Als het publiek enthousiast reageert, weet ik dat het goed zit. De muziek is bedoeld voor daar, dus daar moet de track aanslaan.”

In 2010 kreeg je tijdens het eten thuis een telefoontje. Vertel.
“Mijn moeder zei nog: ‘Leg die telefoon weg, we zitten te eten.’ Ik nam toch op. Het was David Guetta. Hij nodigde me uit om met hem op tournee te gaan. We zijn in allerlei stadions in Frankrijk en Engeland geweest, dat was wel heel erg bijzonder. Toen moest ik mezelf wel even in de arm knijpen.”

Een jaar later stond je met hem in de studio. Wat betekent David voor jou?
“Behalve een collega is hij ook mijn mentor, een soort vader in de muziek- industrie. Het voelde een beetje alsof ik een balletje overschoot met Cruijff.”

Meer grote namen volgden: Britney Spears, Rihanna, Sia, will.i.am, Hardwell… Wat brengen zulke samenwerkingen jou?
“Ik vind het hartstikke leuk om te kijken hoe anderen werken. Iedereen doet dat op een andere manier, dus van iedereen kan ik leren. Ik zou nog weleens een productie willen doen met Chris Martin van Coldplay of de Zweedse songwriter Max Martin. Omdat ik waardeer wat ze doen en omdat ze goed bij mij passen. En Coldplay vind ik tijdloos, daar zou ik me heel graag ooit aan willen meten.”

In 2012 startte je een eigen label, Protocol Recordings.
“Ik wilde zelf kunnen bepalen hoe het artwork eruitziet, wanneer een nummer uitkomt, in welke territoria… Dat kan alleen als je een eigen label hebt. Protocol is in de loop der jaren gigantisch gegroeid. Tal van artiesten hebben bij het label getekend, zelfs Calvin Harris heeft een plaat uitgebracht op Protocol.”

Hoe gewoon ben jij onder alle successen gebleven?
“Ik ben qua karakter geen superstar. Hoewel veel mensen mij wel zo zien, zeker in het buitenland. Dat ik soms veel aandacht krijg, daar kan ik niets aan veranderen. Ik maak er meestal een grapje van. Zoals gisteravond, toen ik met mijn zus en zwager uit eten was in Beesd. Midden tijdens de maaltijd kwam een jongen aan onze tafel staan met de vraag of hij met mij op de foto mocht. ‘Je bent een bekende deejay toch?’, vroeg hij. ‘Ja, maar weet je ook welke?’ Dat wist hij niet. Ik zei: ‘Weet je wat: ik ben hier nog een uur. Als jij in die tijd uitvindt wie ik ben, dan maken wij een foto.’ Maar meestal weten ze wel wie ik ben. Sommige fans hebben zelfs dezelfde tatoeages genomen als ik. Het kan best ver gaan.”

nicky romero 1
nicky romero 2
Nicky romero 3

Zo’n tweehonderd keer per jaar stap jij in het vliegtuig. Je vliegt van stadion naar concertzaal. Kun jij nog wel genieten van wat je doet?
“Nou, dat is wel even een dingetje geweest. Het ging allemaal zo snel! Ik had nauwelijks tijd om stil te staan bij wat er allemaal gebeurde. Zo zag een week van mij er ongeveer uit: Op donderdag komen we aan in Bolivia, waar we voor 30.000 man een vette show neerzetten. De volgende dag gaan we naar Paraguay, waar op de airport allemaal fans mij staan op te wachten. De dag erna vliegen we naar Las Vegas om daar twee shows te doen, vervolgens doen we Miami aan, New York… Het zijn zo veel prikkels dat je niet doorhebt wat je allemaal meemaakt, bijvoorbeeld dat de show in New York compleet was uitverkocht en de mensen van Times Square tot Madison Square Garden in de rij stonden. Pas als je weer thuis bent, met een dikke jetlag, ga je processen wat er allemaal gebeurd is. Maar dan moet je je alweer voorbereiden op het komende weekend, want dan wacht weer een optreden.”

Kun je dan niet een dag extra in Miami inplannen om de accu op te laden?
“Nee. Op vrijdag, zaterdag en soms zondag worden de feesten georganiseerd. Die dagen moet je pakken. Dus je kunt niet op vrijdag draaien en de dag erna niets doen. Dat is nu eenmaal het tempo waarin deejays moeten leven. Daarom is het voor velen ook zo zwaar. Ik ken heel veel deejays die op het randje zitten van doorgaan of omvallen. Het is niet menselijk wat wij doen. Een band reist van stad naar stad, met een hele crew die aan de show werkt, een heel podium moet opbouwen. Die kunnen niet vandaag een show in de UK, morgen in Praag en de dag erna in Japan doen. Een band heeft dus altijd een natuurlijke rust van een week.”

Had je toch drummer moeten worden…
“Haha, misschien wel ja. Omdat wij niet veel nodig hebben – alleen een USB-stick, een laptop en een koptelefoon – kunnen wij wél elke dag in een andere wereldstad geboekt worden. Maar je lichaam kan dat niet bijhouden. Een spiritueel leraar zei ooit: ‘De geest rijdt te paard.’ Je kunt je lichaam wel alle kanten opsturen met een vliegtuig, maar de geest gaat niet sneller dan een paard. Het is heel leuk werk, het is absoluut een kans die ik iedereen zou gunnen, maar het is echt heel hard werken.”

In 2014 ben je zelf ‘over het randje’ gegaan.
“We deden de ene na de andere show, waren zo veel op pad dat ik de kans niet kreeg om de studio nog in te gaan. En geluk haal ik uit zelf muziek maken. De spaarzame momenten dat ik in de studio was, moest ik vanwege de volle agenda op een veel te hoog tempo produceren. Maar zo werkt het niet. Creativiteit komt en gaat, en kun je niet sturen. Ik werd steeds negatiever: ‘Het lukt niet’, ‘het gaat niet’, ‘nu moet ik weer op tournee en dat wil ik niet, want ik ben nog moe’… Dat stapelde op, totdat ik omviel.”

Wat gebeurde er precies?
“Ik lag met opengeklapte laptop op bed, want ik moest en zou nog een plaat afmaken die dag. En dat lukte niet. Ik dacht: ik kan het gewoon niet meer. En de volgende dag moest ik op een groot festival draaien. Ik raakte helemaal in paniek en belde mijn pa op: ‘Er is iets mis. Ik kan het niet meer, ik wil het niet meer, alle muren komen op me af…’ Mijn vader kwam me ophalen. Het bleek dat ik last had van een soort angststoornis, anxiety, die zich ontwikkelt door oververmoeidheid. Thuis heb ik alles cold turkey afgezegd, waarna mijn ouders mijn telefoon in beslag namen. Ze hebben me twee weken thuisgehouden. Drie maanden lang heb ik niets gedaan. Mijn vader stopte als politieagent en stapte in mijn bedrijf. ‘We gaan de zaken veranderen’, zei hij. Het management had ook veel te veel shows ingepland.”

Was het een kwestie van rust nemen en daar ben ik weer?
“Nee. Ik blijf er wel vatbaar voor, zeker als ik heel veel shows heb. Ik ben een gevoelsmens en als ik te veel hooi op mijn vork neem, gaat het mis. Dus rust alleen was niet genoeg. Ik moest ook dingen structureel aanpassen in mijn persoonlijkheid en mijn gedrag, leren om vaker nee te zeggen. We gaan niet meer op zo’n manier touren dat we na afloop helemaal kapot zijn. Dan haal ik er geen plezier uit, zit ik niet lekker in mijn vel, zijn de shows niet goed, zien de foto’s er niet uit… Dat is een ongoing thing.”

nicky romero 6
nicky romero 5
nicky romero 4

Je werkte nauw samen met Avicii, die in 2018 overleden is. Zag je dat hij op het randje zat?
“Jazeker. Wat ik had, had hij in extreme mate. Bij mij ging niet altijd alles goed, maar was nooit sprake van kwade intentie. Bij zijn management twijfel ik daar soms aan, dat was wel heel erg aan het pushen. Tim (Bergling, de echte naam van Avicii; red.) was echt geen persoon voor op het podium. Hij was best terughoudend en moest zichzelf opladen om voor een mensenmassa te kunnen staan.”

Wat deed het jou toen je hoorde over zijn dood?
“Ik vond het natuurlijk verschrikkelijk. Ik was net nieuwe nummers met hem aan het maken. Hij stuurde mij demo’s die nog niet af waren, begeleid door berichtjes als ‘Zou je willen helpen met de instrumenten?’ En in één keer uit het niets – boem, pats! – was hij weg. Achteraf hoorde ik dat ik een van de weinigen was met wie hij contact had. In mijn telefoon stond het WhatsApp-gesprek nog dat ik vlak voor zijn dood met hem had gevoerd. Het heeft te maken met de druk van deze industrie. Hardwell is voor een tijd gestopt met touren, sommige collega’s zijn een ander pad ingeslagen om in een rustiger vaarwater te komen… Deejayen is echt topsport. Het heeft niets te maken met alcohol- of drugsgebruik. De meeste deejays drinken geen druppel en raken al helemaal geen drugs aan. Ik heb nog nooit een pilletje of een joint genomen, zelfs geen sigaret. Als deejay moet je leven als een atleet, anders red je het niet. Ikzelf sport om de dag, slik vitamines, eet gezond, doe aan meditatie…”

Maar het leven van een deejay heeft toch ook een glamourkant?
“Ik vlieg vaak met privéjets, word opgehaald door limousines, er ligt altijd een rode loper klaar met aan het einde dienbladen vol champagne. Dat is de glamourkant. En ik verdien veel. Maar wat mensen niet weten is dat ik het grootste gedeelte daarvan in mijn bedrijf pomp. Met 10 à 20 procent van wat ik verdien doe ik leuke dingen. Ik heb een passie voor Ducati-motoren en mooie auto’s. Ik heb lang uitgekeken naar een McLaren. Als de dag dan daar is dat ik hem kan kopen, dan doe ik dat ook. Daar trakteer ik mijzelf op, daar werk ik hard voor.”

Waar komt je passie voor auto’s vandaan?
“Mijn droom vroeger was een R8. Die kon ik voor een goede prijs overnemen van Afrojack. Daarmee was het vuurtje aangewakkerd. De R8 werd een AMG GT S, dat werd een Ferrari 458, dat werd een Porsche…. Uiteindelijk kwam ik in contact met Alexander Sterk, brand manager van McLaren, en heb ik een proefrit gedaan met een 570S. Dat vond ik wel echt een heel chique bak. En bijna niemand heeft hem.”

Waarom koos je voor de MSO-kleur Burton Blue?
“Ik heb bijna alle kleuren gehad: rood, zwart, wit, grijs, groen… Blauw nog niet. En het is precies de kleur van mijn ogen, dus hij past perfect bij mij.”

 

“Ik rijd mijn McLaren 570S alleen op mooie dagen. Ik ben heel zuinig op mijn auto’s. De McLaren staat normaal thuis in de garage, onder een doek. Ik neem weleens mensen uit de buurt mee voor een rondje, gisteren nog een jongetje van acht. Ik geniet er nog het meest van wanneer anderen er plezier aan beleven”

Wanneer rijd je met de McLaren?
“Alleen op mooie dagen – ik ben heel zuinig op mijn auto’s. De McLaren staat normaal thuis in de garage, onder een doek. Ik neem weleens mensen uit de buurt mee voor een rondje, gisteren nog een jongetje van acht. Ik geniet er nog het meest van wanneer anderen er plezier aan beleven.”

Heb je nog een andere liefhebberij?
“Ik heb een boot, een Cobalt R5. En als investering een eigen jachthaven, de Lunenburg bij Wijk bij Duurstede, met 130 ligplaatsen. Nu lijkt het misschien dat ik heel erg materialistisch ben. Integendeel: materie maakt niet gelukkig, het geluk zit echt in je. Dat heb ik wel geleerd. Ik dácht altijd: als ik die auto heb, dan ben ik gelukkig. Nou, ik heb nieuws voor je: je bent pas gelukkig als je content bent met wie je bent en de juiste mensen en omgeving om je heen hebt. Een auto is een mooie toevoeging, maar het moet niet een vervanger zijn van geluk.”

Hoe sta jij momenteel in het leven?
“Ik zie mijzelf als een bevoorrecht persoon dat ik dit mag doen, in acht houdende dat het een vak is dat ontzettend veel van je eist. Op persoonlijk gebied moet ik veel laten lopen. Ik zou ook weleens op Bevrijdingsdag of Koningsdag hier willen zijn, of met familie op een verjaardag zitten. Dat gaat vaak niet. Want de optredens vinden altijd in de weekends en op feestdagen plaats. Ik vind het leven heel mooi, maar ik zou het ook wel fijn vinden om over een tijdje de balans terug te vinden naar wat me echt vrolijk maakt.”

Je hebt ook nog een merchandiselijn, een radiostation, een webshop… Zit je leven niet vollédig volgepland?
“Jawel, maar dat is niet eens het grootste probleem. Het grootste probleem is dat ik van alles wil doen. Ik wil vandaag de studio in, naar de gym, daarheen, daarheen… Dat gaat nog weleens mis.” Wat voor uitdagingen zijn er nog voor jou? “De kennis die ik over de jaren heb opgedaan, zou ik willen delen met de nieuwe generatie. Ik geef masterclasses, spreek vaak op beurzen. Daar zitten meer dan duizend man te luisteren naar de in-depth technische kant van het produceren. Ook zou ik muziek willen maken voor andere artiesten, of scores voor films en documentaires. Hans Zimmer en Junkie XL vormen een goed voorbeeld.”

Jij ziet jezelf niet tot het einde der dagen shows geven?
“Zeker niet. De volle stadions, dat is voor nu. Ik zou later heel graag een gezin willen en een normaal bestaan leiden. Er is meer in het leven dan alleen werk en muziek. Om een voorbeeld te geven: ik eet weleens bij mijn buren. Die hebben drie kinderen thuis en een volledig normaal leven. Daar voel ik me soms de jongen die ik vroeger was. Het lijkt alsof ik daar weer even mijn oude zelf kan terugvinden. Dat ik daar onze gezinsstructuur van vroeger herbeleef. Op zaterdag wordt er vis gehaald, gaat de barbecue aan, en dan ben ik even onderdeel van dat gezinsleven. Die buren vormen mijn ‘tweede familie’ – zo heet onze groepsapp ook. En familie is voor mij de basis van alles. De jongste had laatst gala op de school waar hij geslaagd is en de buren vroegen of ik het leuk vond om hem te brengen. Dat deed ik. In mijn McLaren. Superleuk. Ook al omdat het mijn vroegere middelbare school betrof. Alles wat ik vroeger wilde, heb ik: een eigen studio, een McLaren, een verzameling Ducati’s, een boot… Nu ben ik weer op zoek naar wat ik vroeger had. De mensen om me heen, het knusse, het normale leven.”

Fotografie: John Van Helvert / Auteur: Bart-Jan Brouwer